Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Atlantische geelneusalbatros

Atlantische geelneusalbatros | Thalassarche chlororhynchos

Atlantic Yellow-nosed Albatross | Albatros clororrinco atlántico

De Atlantische geelneusalbatros is de kleinste albatros die af en toe in Noord-Amerikaanse wateren opduikt: een slanke zeevogel met een donkere rug, witte onderdelen en een zwarte snavel met een dunne gele streep over de rug. Hij broedt uitsluitend op een handvol eilanden diep in de zuidelijke Atlantische Oceaan en is in Noord-Amerika een dwaalgast die zelden dicht onder de kust komt.

Atlantische geelneusalbatros (Thalassarche chlororhynchos)
Foto: Vincent Legendre — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee, waar vrijwel elke Noord-Amerikaanse waarneming plaatsvindt, is de Atlantische geelneusalbatros zo goed als stom. Op de broedeilanden in het zuiden klinkt tijdens de balts een schor gekreun, afgewisseld met een droog geklepper wanneer paren de snavels tegen elkaar tikken. Verder maakt hij bij het naderen van een boot of aas op het water hoogstens een laag, grommend geluid. Een dwaalgast tussen de pijlstormvogels voor de Amerikaanse oostkust laat zich dan ook eerder aan zijn silhouet dan aan zijn stem herkennen.

Luister: RoepXC937103

Opname: Guilherme Melo — CC BY-NC-SA 4.0 · Penha - 12 - 20 km da costa, Brazil · xeno-canto

Herkenning

Volwassen vogels zijn van boven grijszwart, met een scherpe grens naar de witte onderdelen en een witte kop met een grijze waas op de wangen. De snavel is zwart met een dunne gele streep over de bovensnavel die naar de punt toe roze wordt, en een smalle donkere lijn voor het oog geeft het gezicht een enigszins fronsende uitdrukking. Jonge vogels hebben een geheel zwarte snavel en een vagere kopstekening, wat verwarring met andere albatrossen in de hand werkt. In de vlucht valt vooral het lange, smalle vleugelprofiel op: stijve, weinig geknikte vleugels waarop hij minutenlang boven de golven kan glijden zonder te slaan.

Verwarrings­soorten

De zwartbrauwalbatros (Thalassarche melanophris) is de albatros waarmee hij in Noord-Amerikaanse wateren het vaakst wordt verward: die is fors zwaarder gebouwd, heeft een roze snavel met een donkere punt in plaats van een zwarte snavel met gele streep, en een brede zwarte rand aan de onderkant van de vleugel tegenover de smalle rand van de geelneusalbatros. Jonge zwartbrauwalbatrossen hebben bovendien een grijzige kraag die de geelneusalbatros mist. Op grote afstand, wanneer de snavelkleur niet te zien is, geeft vooral de vleugelonderzijde de doorslag.

Leefgebied

Hij leeft vrijwel zijn hele leven op open oceaan, ver van land, waar hij foerageert op inktvis, vis en kreeftachtigen die hij van het wateroppervlak pikt. Vissersschepen trekken hem aan vanwege het afval en de bijvangst die overboord gaan. Ondiepe kustwateren en de branding mijdt hij; alleen na zware stormen komt een dwaalgast weleens dicht onder de kust of zelfs op het strand terecht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt op Gough Island en de eilanden van de Tristan da Cunha-groep, diep in de zuidelijke Atlantische Oceaan, en zwerft daarbuiten over een groot deel van de Zuid-Atlantische en Zuid-Indische Oceaan. Incidenteel bereiken vogels de Noord-Atlantische Oceaan; sinds de eerste waarnemingen is hij meer dan twintig keer gemeld voor de Amerikaanse Atlantische en Golfkust, vrijwel altijd in de zomer en zonder vaste plek. Het aantal meldingen is de laatste decennia toegenomen, wat deels weerspiegelt dat er simpelweg vaker en verder de oceaan op wordt gevaren om zeevogels te zoeken.

Waar en wanneer kijken

De beste kans is een pelagische boottocht ver voor de kust van North Carolina of in de Golf van Mexico, in de zomer, tussen de zwartbrauwalbatrossen en pijlstormvogels die op visafval afkomen. Let dan vooral op de snavelkleur: een compleet zwarte snavel met een dunne gele lijn wijst direct op deze soort.

Staat van instandhouding

De IUCN beoordeelt de soort als bedreigd (EN): de wereldpopulatie wordt geschat op 55.000 tot ruim 83.000 volwassen vogels, geconcentreerd op enkele eilanden. Op Nightingale en Inaccessible neemt het aantal broedparen af, terwijl Gough Island de grootste kolonie herbergt. De belangrijkste bedreigingen zijn bijvangst in de langelijnvisserij en, op Gough Island, ingevoerde huismuizen die eieren en jongen aanvallen.

Wetenschappelijke naam

Thalassarche chlororhynchos | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Diomedea chlororhynchos, met als typelocatie Kaap de Goede Hoop; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thalassarche werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. De soortnaam is Grieks voor 'geelsnavelig', naar de gele streep op de snavel. Tot het einde van de twintigste eeuw gold hij samen met de Indische geelneusalbatros (T. carteri) als één soort onder de naam geelneusalbatros; sindsdien worden ze als aparte soorten beschouwd.