Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Amerikaanse bontbekplevier
Amerikaanse bontbekplevier | Charadrius semipalmatus
Semipalmated Plover | Chorlitejo Semipalmeado
De Amerikaanse bontbekplevier is de kleine plevier die op vrijwel elke slikplaat van het werelddeel staat: bruin van boven, wit van onder, met één zwarte borstband en korte oranje poten. Hij broedt op het kiezel en de kale toendra van Alaska en Arctisch Canada en trekt in het najaar over de volle breedte van Noord-Amerika naar het zuiden, tot in Chili en Argentinië. Zijn naam slaat op de zwemvliesjes tussen de voortenen, die bij weinig plevieren zo duidelijk zijn.
Geluid
De roep is een tweelettergrepig, hees en stijgend tsjoe-wiet, van ver hoorbaar boven het geluid van de branding en het beste kenmerk van de soort. Vogels die opvliegen roepen het één keer; een groep op de plaat geeft het van de ene vogel aan de andere door. Boven het broedterrein vliegt het mannetje met trage, diepe slagen rond en herhaalt daarbij een rollend tsjoe-wie tsjoe-wie, tientallen keren achtereen. Bij het nest klinkt een aanhoudend, hoog gepiep waarmee de kuikens uit het gevaar worden geleid, en bij plotselinge verstoring een kort, hard tjip.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, gedrongen plevier met een rond kopje, grote donkere ogen en een kort, dik snaveltje. De bovendelen zijn egaal grijsbruin, de onderdelen wit, met één zwarte borstband, een zwart masker door het oog en een witte voorhoofdsvlek onder een zwarte kruinband; de snavel is oranje met een zwarte punt en de poten zijn oranjegeel. Rond het oog ligt een gele ring die bij goed licht meteen opvalt. Het vrouwtje heeft doorgaans een bruiner, minder scherp begrensd masker; jonge vogels missen het zwart geheel en hebben een donkere snavel en een bruine, soms onderbroken band. In de vlucht valt een smalle witte vleugelstreep op en een donkere staart met witte zijden. Hij loopt in korte spurtjes, stopt abrupt en pikt met een snelle duik voorover.
Verwarringssoorten
De bontbekplevier (Charadrius hiaticula) van Groenland en het hoogarctische Canada lijkt zo sterk op hem dat het verschil op de plaat punt voor punt moet worden nagelopen. Beslissend is de stem: de bontbekplevier fluit een zuiver, stijgend toe-lie, de Amerikaanse bontbekplevier roept hees en schor. Van het verenkleed is de gele oogring het bruikbaarst — hier breed en duidelijk, bij de bontbekplevier smal of afwezig — en de zwarte borstband is hier smaller en overal even breed, terwijl die bij de bontbekplevier breder is en in het midden het diepst; het witte wenkbrauwstreepje loopt bij de bontbekplevier achter het oog door en ontbreekt hier meestal. De snavel is korter en stomper, met minder oranje aan de basis, en tussen de middelste en de binnenteen zit een klein zwemvlies dat de bontbekplevier mist — zichtbaar bij een vogel die dichtbij over nat slik loopt. De dwergplevier (C. melodus) is veel bleker en zandkleuriger, de killdeerplevier veel groter met twee borstbanden, en de dikbekplevier heeft een veel zwaardere, geheel zwarte snavel en vleeskleurige poten.
Leefgebied
Broedt op open, kale grond dicht bij water: kiezelbanken, zandvlakten, drooggevallen rivierbeddingen en schaars begroeide toendra, vaak op enige afstand van de kust. Buiten de broedtijd staat hij op slikplaten, zandstranden en de modderranden van estuaria en lagunes, en landinwaarts op drooggevallen meeroevers, ondergelopen akkers en de bezinkvijvers van rioolwaterzuiveringen. Hij mijdt dichte begroeiing en steile oevers; wat hij nodig heeft is een vlakke, open bodem waarover hij ver kan kijken. Anders dan de strandlopers staat hij niet in dichte troepen maar verspreid over de plaat, elke vogel in zijn eigen stuk.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van het Tsjoektsjenschiereiland en West-Alaska over de Aleoeten en door heel Arctisch en subarctisch Canada tot Newfoundland en Nova Scotia. Hij trekt over een breed front: in mei en opnieuw van juli tot oktober is hij op modderranden in vrijwel elke staat en provincie te vinden, diep in het binnenland net zo goed als aan de kust. De winter brengt hij aan zee door, van Oregon en New Jersey zuidwaarts langs beide kusten van Mexico en Midden-Amerika, over de Caraïben tot Noord-Chili en Noord-Argentinië, en tot op de Galápagos. Anders dan bij veel arctische steltlopers zijn de aantallen in de laatste halve eeuw niet duidelijk teruggelopen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in augustus en september op een slikplaat bij afgaand tij, in het uur waarin het water zakt en de plaat net droogvalt. Loop de plaat af op geluid: het hese tsjoe-wiet verraadt hem eerder dan het oog hem vindt. Staat er een groepje kleine plevieren, kijk dan eerst naar de oogring en de breedte van de borstband, en pas daarna naar de snavel.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer tweehonderdduizend vogels en houdt haar voor stabiel; op de Rode Lijst staat de soort als niet bedreigd (LC). De druk ligt vooral op de trekroute en in de winter: jacht op steltlopers in Suriname en Guyana, olielozingen en vervuiling van slikplaten. Op het broedgebied is de opwarming van de toendra de minst voorspelbare factor, omdat die het tijdstip waarop de insecten uitkomen verschuift ten opzichte van de aankomst van de vogels.
Wetenschappelijke naam
Charadrius semipalmatus | Bonaparte, 1825
Charles Lucien Bonaparte beschreef de soort in 1825 als Charadrius semipalmatus, in het vijfde deel van het Journal of the Academy of Natural Sciences of Philadelphia; omdat ze nog altijd in dat geslacht staat, gaan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Charadrius is laat-Latijn voor een geelachtige vogel uit de vierde-eeuwse Vulgaat, ontleend aan het Griekse kharadrios, een vogel van ravijnen en beekbeddingen. semipalmatus betekent 'halfgevind', uit semi-, 'half', en palma, 'handpalm', naar de zwemvliesjes tussen de voortenen. Als typelocatie gaf Bonaparte de kust van New Jersey.




