Alle soorten › Ooievaarachtigen

Ooievaarachtigen | Ciconiiformes

Storks | Cigüeñas

Ooievaars zijn grote waadvogels met lange poten, een lange hals en een zware, spits toelopende snavel; de voortenen zijn aan de basis door een klein vlies verbonden, wat houvast geeft op drassige bodem. De vleugels zijn breed en lang, met ver uiteenstaande handpennen: daarmee wordt in opstijgende warme lucht gecirkeld en van thermiekbel naar thermiekbel gezweefd, met de hals gestrekt en de poten recht naar achteren. Zo worden grote afstanden afgelegd met weinig vleugelslagen, maar het vraagt open land en zon. Kop en hals zijn bij een deel van de soorten kaal of dun bevederd. Bij hitte wordt vloeibare mest over de poten uitgescheiden, wat door verdamping afkoelt. Gefoerageerd wordt lopend, in ondiep water en in open grasland.

Families in deze orde

  • Ooievaars | Ciconiidae1 soortVolwassen vogels hebben nauwelijks stem; in plaats van roepen klepperen ze met de snavel, waarbij de kaken in een snelle roffel op elkaar slaan en de kop ver over de rug naar achteren wordt geworpen. Dat klepperen klinkt bij het wisselen van de wacht op het nest en bij het verjagen van een indringer, en draagt over grote afstand. Gefoerageerd wordt vaak op de tast: wadend door troebel water houdt de vogel de snavel half open onder de oppervlakte en klapt die in enkele honderdsten van een seconde dicht zodra een vis, kikker of kreeftje hem aanraakt, terwijl een voet door het slib schuifelt om prooi op te jagen. Het nest is een omvangrijk takkenbouwsel hoog in een boom of op een rotsrichel, dat jaar na jaar wordt hergebruikt en telkens verder opgehoogd tot het meters breed wordt; de jongen worden gevoerd met voedsel dat op de nestbodem wordt uitgebraakt. Bij warmte wordt vloeibare ontlasting over de poten gestreken, wat door verdamping afkoelt.